Notenmeisje

Lieve Mosje, 

Af en toe plak ik ook spulletjes met plakband aan mijn vingers, maar dan expres. Handen die de functie van de muur overnemen, opgedrongen krijgen eigenlijk. De muur die terugduwt. 

Ik verzamel noten. Bij mijn moeder in Beek weet ik walnotenbomen in een veld, die naast de pot piesen. Een klein deel van hun houten vruchten verliezen ze aan het pad dat naast de met prikkeldraad afgesloten wei loopt. Twee dikke bomen laten daar een enorme hoeveelheid walnoten los elk jaar. Er ligt een tapijt van noten onder de bomen, maar ik mag er niet bij. Alleen de verdwalers mag ik rapen. Walnoten in het wild zijn schaarse goederen. En dus vul ik de voorraad aan met hazelnootjes; hazelaars staan wel overal in het wild. Dit jaar heb ik mijn voorraad bijna geheel uit de wijk waar we nu wonen kunnen halen. Het zijn allemaal verschillende maten. Dikke ronde, maar ook langwerpige, als kogels, en inimini’s. Ook de smaak verschilt subtiel. Maar ik vind ze allemaal even lekker.

Noten rapen is een speciaal genoegen. Het verheugd ontdekken van een noten-bron, het knielen als voor een altaar, het rapen en in een zakje doen, elk nootje is een schat, dus als er duizend nootjes liggen vind ik ook duizend schatten, de zak rap zwaarder voelen worden. Het thuis overhevelen in een bak met water, om het straatvuil eraf te spoelen. En dan laten drogen op een schaal, bij de verwarming. De berg af en toe omwoelen met de handen, altijd fijn, dat ploegen in overvloed. Als het sap dan eindelijk door de houten schillen heen uit de vruchtjes is getrokken, opnieuw een verhuizing. Naar een steeds vollere doos, bovenop de kast. Na een jaar is de doos leeg.

Een paar weken geleden zat ik daar zo, op mijn knieën, in de wijk, bij een van de vele hazelaars tussen de tegels op de stoep, te rapen. Een oude man met een rollator kwam voorbij. Stopte, vanuit toch al tergend traag voortbewegen. Begon een praatje door in te haken op mijn bezigheden. Omdat ik mezelf zie als pleitbezorger van het verantwoord snoepen uit de natuur haakte ik graag terug. Maar de man bleek vooral een pleitbezorger van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Mijn bezigheid was de perfecte brug om met zijn stokpaardje overheen te rijden. Zijn hele werkzame leven had hij doorgebracht in een tuincentrum. Wat hij daar hier en nu aan herinnering uit destilleerde ging alleen maar over vergif. Ik snapte er niks van. Hoe kon hij mijn liefde linken aan de zijne ooit? Met zichtbaar genoegen vertelde hij hoe hij de hele straat hier met grote regelmaat volkomen kaal had weten te houden. Geen sprietje onkruid kwam meer tevoorschijn. Allemaal dankzij hem. Hij glunderde bij de herinnering. Ik voelde me steeds ongemakkelijker worden. Ik zag de straat voor me, dor als een woestijn. Stug ging ik door met rapen, hopend dat hij dit op zou pikken als weerstand. Daarnaast wierp ik af en toe wat oneens-zijn in de strijd, maar het had totaal geen zin. Mijn tegenwerpingen vingen bot. De man had zelf geen oren, alleen een overvolle eenzaamheid en een schrijnende behoefte aan de oren van anderen.  

Er kwam een vrouw aan die het stokje van me over nam. Ze sprak de man aan, ze kende hem, en godzijdank verschoof hij zijn aandacht meteen, radicaal, naar haar. Als een pistool dat hij niet langer op mij richtte. Ik kwam sluiks omhoog vanuit mijn hurk-stand en nam een ruime bocht om de man en vrouw heen, richting wegwezen. Maar ik had geen moeite hoeven doen. Hij zag me niet meer.

Lieve Mosje, wat fijn dat jij mij wel ziet. Jij wist gewoon dat ik dat noten-meisje was.

Groetjes van Anne

 

Verscheurd
Notre-Dame

Over Anne Tjula

Anne Tjula is in een briefwisseling met MOSje.iS. Die wisseling is spannend, onderhoudend, met een knipoog, serieus, en soms ironisch. En geschreven om De Brief in ere te houden.

3 Replies to “Notenmeisje”

  1. Aan het notenmeisje dat groen is, behalve achter haar oren.

  2. Er groeien anders wel notenbomen achter mijn oren hoor Luc.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*